Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 juni 2010, nr. 09/00654

Uit NeBelEx Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 juni 2010, nr. 09/00654, LJN: BN5566[1]

Inhoud

Tekst uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00654

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 november 2009, nummer AWB 08/1858, in het geding tussen

mevrouw X, wonende te Y (België), hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.571 en een premie-inkomen van eveneens € 13.571, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en het premie-inkomen verlaagd tot € 11.975.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 22 april 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende heeft de Portugese nationaliteit en woonde in het onderhavige jaar in België. Van 1 maart 2005 tot en met 31 december 2005 heeft belanghebbende inkomsten genoten uit een dienstbetrekking in Nederland, van in totaal € 13.571 bruto, welke inkomsten als zodanig door belanghebbende in haar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2005 zijn aangegeven. In de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2005 heeft belanghebbende, voor de berekening van het premie-inkomen, tevens aangegeven dat zij € 800 aan inkomsten heeft genoten uit tegenwoordige dienstbetrekking buiten Nederland. Belanghebbende heeft voor 2005 niet ervoor gekozen om te worden behandeld volgens de regels die gelden voor binnenlands belastingplichtigen (keuze van artikel 2.5 van de Wet IB 2001).

2.2. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 13.571 en het premie-inkomen eveneens op € 13.571.

2.3. In het tegen de aanslag gerichte bezwaarschrift heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om het premie-inkomen vast te stellen door middel van de methode van tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen - in dit geval bestaand uit wereldjaarinkomen van € 14.371 - als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002 (hierna: UPV 2002). Het premie-inkomen bedraagt in dat geval dan € 11.975 (300/360 maal € 14.371)

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het premie-inkomen in het onderhavige jaar dient te worden vastgesteld aan de hand van artikel 5, lid 1, UPV 2002. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken in hoger beroep de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Gronden

4.1. De Rechtbank heeft overwogen:

"4.1. De voor het onderhavige geval van belang zijnde regelgeving, luidt als volgt:
Artikel 5 UPV 2002
1. Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig doch gedurende die periode wel belastingplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van het premie-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen als de premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht.
2. In afwijking van het eerste lid wordt als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan, waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid
Artikel 6 UPV 2002
Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 10, zesde lid, van de wet vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in de wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de niet in Nederland woonachtige werknemer die slechts gedurende enkele maanden van het kalenderjaar in Nederland werkt - gelet op de tekst van artikel 5, eerste lid, UPV 2002 - de tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen geen toepassing kan vinden. De rechtbank acht dit uitgangspunt van partijen juist. In dat geval valt immers het tijdvak waarover Nederland premie heft samen met tijdvak waarover Nederland belasting heft. Het premie-inkomen dient dan te worden te vastgesteld aan de hand van de methode zoals omschreven in artikel 6 UPV 2002, zoals ook de inspecteur in het onderhavige geval voorstaat.
4.3. Belanghebbende heeft evenwel betoogd, zakelijk weergegeven, dat als gevolg van de wijze waarop Nederland het premie-inkomen vaststelt in situaties waarbij er slechts een gedeelte van het kalenderjaar premieplicht in Nederland bestaat, inwoners van Nederland en niet-inwoners van Nederland ongelijk behandeld worden. Indien belanghebbende inwoner was geweest van Nederland, terwijl zij eenzelfde gedeelte van het kalenderjaar als nu het geval is in Portugal en Nederland zou hebben gewerkt, zou in dit geval wèl artikel 5, eerste lid, UPV 2002 van toepassing zijn. In deze situatie zou de periode van belasting- en premieplicht niet samenvallen; de inwoner van Nederland is namelijk gedurende het gehele jaar belastingplichtig in Nederland, doch slechts premieplichtig gedurende de in Nederland gewerkte periode. Het premie-inkomen zou in dat geval dan € 11.975 bedragen. De regeling van artikel 5 en 6 UPV 2002 is naar de mening van belanghebbende dan ook in strijd met de Europese Verordening 1612/68 (hierna: de Verordening), welke Verordening de gelijke behandeling van EU-onderdanen voor wat het aanvaarden van werk betreft waarborgt, en artikel 39 van het EG-verdrag, welk artikel het vrij verkeer van werknemers binnen de EU waarborgt.
4.4. De rechtbank is met belanghebbende van mening dat voor degene die gedurende het gehele jaar woonachtig is in Nederland, 'de inwoner', de in artikel 5, eerste lid, UPV 2002, artikel 5 tweede lid, UPV 2002 en de in artikel 6 UPV 2002 genoemde wijze van berekening van het premie-inkomen toepassing kan vinden. Voor een niet-inwoner van Nederland die slechts gedurende een deel van het jaar in Nederland werkzaam is, kan het premie-inkomen slechts berekend worden aan de hand van de methode zoals omschreven in artikel 6 UPV 2002.
4.5. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft bij uitspraak van 26 januari 1999 (C-18/95) (BNB 1999/150) (Terhoeve) het volgende op de tweede en derde gestelde prejudiciële vraag beslist:
"De tweede en de derde vraag
30. Met zijn tweede en derde vraag, die tezamen moeten worden besproken, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 7 en 48 van het Verdrag dan wel artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 eraan in de weg staan, dat een lidstaat van een werknemer die in de loop van een jaar zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft verlegd om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, een hogere premie volksverzekeringen heft dan in vergelijkbare omstandigheden verschuldigd zou zijn door een werknemer die gedurende het gehele jaar zijn woonplaats in de betrokken lidstaat heeft behouden, zonder dat de eerste werknemer evenwel recht heeft op extra sociale uitkeringen. Voor het geval het antwoord op die vraag ervan mocht afhangen, of er sprake is van discriminatie jegens werknemers uit andere lidstaten, wenst de verwijzende rechter nog te vernemen, of in zulke omstandigheden een vermoeden van discriminatie bestaat en, in voorkomend geval, of dit vermoeden kan worden weerlegd en zo ja onder welke voorwaarden.
31. Vooraf moet erop worden gewezen, dat overeenkomstig artikel 14, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), op degene die op het grondgebied van een lidstaat arbeid in loondienst verricht voor een onderneming waaraan hij normaal verbonden is, en door deze onderneming wordt gedetacheerd op het grondgebied van een andere lidstaat teneinde aldaar voor haar rekening arbeid te verrichten, de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat van toepassing blijft, mits de te verwachten duur van die arbeid niet meer dan twaalf maanden bedraagt en hij niet wordt uitgezonden ter vervanging van een andere persoon wiens detachering beëindigd is.
32. Voor de sociale zekerheid blijft iemand in de situatie van Terhoeve gedurende de periode waarin hij zijn arbeid in loondienst in het Verenigd Koninkrijk verricht, derhalve in beginsel onder de Nederlandse wetgeving vallen.
33. Vervolgens moet het argument worden besproken dat de Nederlandse regering ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, namelijk dat, aangezien het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, onverlet laat (arresten van 7 februari 1984, Duphar e.a., 238/82, Jurispr. blz. 523; 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91, Jurispr. blz. I-637; 26 maart 1996, García e.a., C-238/94, Jurispr. blz. I-1673; 17 juni 1997, Sodemare e.a., C-70/95, Jurispr. blz. I-3395), de nationale autoriteiten de wijze van financiering van deze stelsels vrijelijk kunnen regelen.
34. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het bij gebreke van harmonisatie op communautair niveau weliswaar een aangelegenheid is van de wetgever van elke lidstaat, de voorwaarden vast te stellen waaronder een persoon zich kan of moet aansluiten bij een stelsel van sociale zekerheid, maar dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid niettemin het gemeenschapsrecht dienen te eerbiedigen (zie met name arresten van 28 april 1998, Decker, 120/95, Jurispr. blz. I-1831, punten 22 en 23, en Kohll, C-158/96, Jurispr. blz. I-1931, punten 18 en 19).
35. Het feit dat de nationale wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, de financiering van de sociale zekerheid betreft, sluit derhalve de toepasselijkheid van de bepalingen van het Verdrag, met name die betreffende het vrije verkeer van werknemers, niet uit.
36. Aangaande artikel 48 van het Verdrag, dat als eerste moet worden onderzocht, heeft het Hof herhaaldelijk vastgesteld, dat deze bepaling uitvoering geeft aan een fundamenteel beginsel neergelegd in artikel 3, sub c, EG-Verdrag, bepalende dat, teneinde de in artikel 2 genoemde doelstellingen te bereiken, het optreden van de Gemeenschap de verwijdering tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen omvat (zie met name arresten van 7 juli 1976, Watson en Bellmann, 118/75, Jurispr. blz. 1185, punt 16, en 7 juli 1992, Singh, C-370/90, Jurispr. blz. I-4265, punt 15).
37. Het Hof heeft eveneens overwogen, dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker beogen te maken, op het grondgebied van de Gemeenschap om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten (arresten van 7 juli 1988, Stanton, 143/87, Jurispr. blz. 3877, punt 13; Singh, reeds aangehaald, punt 16; en 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 94).
38. In dit verband beschikken de onderdanen van de lidstaten in het bijzonder over het rechtstreeks aan het Verdrag ontleende recht om hun land van herkomst te verlaten teneinde zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven en aldaar te verblijven om er een economische activiteit te verrichten (zie met name arresten van 5 februari 1991, Roux, C-363/89, Jurispr. blz. I-273, punt 9; Singh, reeds aangehaald, punt 17; Bosman, reeds aangehaald, punt 95).
39. Bepalingen die een onderdaan van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, leveren derhalve belemmeringen van die vrijheid op, ook wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn (arresten van 7 maart 1991, Masgio, C-10/90, Jurispr. blz. I-1119, punten 18 en 19, en Bosman, reeds aangehaald, punt 96).
40. Een onderdaan van een lidstaat zou ervan kunnen worden weerhouden om de lidstaat waar hij woont te verlaten om op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid in loondienst te verrichten in de zin van het Verdrag, indien hij meer sociale premie zou moeten betalen dan wanneer hij gedurende het gehele jaar in dezelfde lidstaat bleef wonen, zonder evenwel recht te hebben op extra sociale uitkeringen ter compensatie van die hogere premie.
41. Een nationale wettelijke regeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vormt derhalve een in beginsel bij artikel 48 van het Verdrag verboden belemmering voor het vrije verkeer van werknemers. Bijgevolg behoeft niet te worden nagegaan, of er sprake is van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit, die verboden kan zijn ingevolge de artikelen 7 en 48 van het Verdrag of artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, noch door welke regels de dienaangaande eventueel te hanteren vermoedens worden beheerst.
42. Derhalve moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 48van het Verdrag eraan in de weg staat, dat een lidstaat van een werknemer die in de loop van een jaar zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft verlegd om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, een hogere premie volksverzekeringen heft dan in vergelijkbare omstandigheden verschuldigd zouden zijn door een werknemer die gedurende het gehele jaar zijn woonplaats in de betrokken lidstaat heeft behouden, zonder dat de eerste werknemer evenwel recht heeft op extra sociale uitkeringen."
4.6. De rechtbank is van oordeel dat het, gezien deze overwegingen, niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat het vereiste dat wordt gesteld in artikel 5, eerste lid, UPV 2002, namelijk dat slechts ten aanzien van "degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig doch gedurende die periode wel belastingplichtig is" tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen toepassing kan vinden, onverenigbaar is met het bepaalde in artikel 39 (voorheen 48) EG-verdrag. Het stellen van die eis leidt er immers in het onderhavige geval toe dat belanghebbende niet voor het lager vast te stellen premie-inkomen in aanmerking komt, enkel en alleen omdat zij geen inwoner is van Nederland, zonder dat daarvoor iets wijzigt in het verzekerde pakket. Dit terwijl door een inwoner van Nederland in geval van tijdelijk premieplicht gekozen kan worden, al naar gelang hetgeen het gunstigst uitkomt, uit drie methoden om het premie-inkomen te herleiden. Een rechtvaardigingsgrond voor dit onderscheid is gesteld, noch aannemelijk geworden. Voor het bepalen van het premie-inkomen van belanghebbende over het onderhavige jaar dient daarom voorbij te worden gegaan aan genoemd vereiste in artikel 5, eerste lid UPV 2002. De in geschil zijnde vraag moet daarom bevestigend worden beantwoord. Dan is niet in geschil dat het premie-inkomen € 11.975 bedraagt.
4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Het beroep is gegrond."

4.2. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof op goede gronden een juiste beslissing genomen.

4.3. De Inspecteur stelt in hoger beroep dat belanghebbende niet vergeleken moet worden met iemand die het hele jaar in Nederland woont, maar met iemand die net als belanghebbende de eerste twee maanden van 2005 in Portugal woont en werkt en de volgende 10 maanden in dienstbetrekking in Nederland gaat werken. De Inspecteur stelt derhalve dat de situatie van een Nederlandse ingezetene niet vergelijkbaar is met belanghebbendes situatie. Het Hof kan de Inspecteur in die stelling niet volgen. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank de juiste vergelijking heeft gemaakt (vgl. HR 14 maart 2001, nr. 35 593, BNB 2002/394).

De in Nederland gedurende het gehele kalenderjaar wonende werknemer, die overigens net als belanghebbende twee maanden in Portugal zou werken en 10 maanden in Nederland, zou wel de keuze van de voordeligste berekening van het premie-inkomen hebben, terwijl iemand - zoals belanghebbende - die slechts een gedeelte van het jaar in Nederland werkt, die keuze niet heeft. Zoals belanghebbende het in haar pleitnota stelt: een niet-ingezetene wordt benadeeld ten opzichte van de ingezetene van Nederland en betaalt meer premies voor eenzelfde verzekeringsperiode dan de ingezetene in een overigens identieke situatie. Een dergelijk onderscheid vormt een benadeling van in de loop van het jaar migrerende werknemers, welke benadeling in strijd is met het bepaalde in artikel 39 EG Verdrag.

4.4. De Inspecteur heeft in hoger beroep als rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid tussen de ingezetenen van Nederland en een niet ingezetene, zoals belanghebbende, aangevoerd, dat indien belanghebbendes standpunt zou worden gevolgd, Nederland eenzijdig zou moeten afzien van de premieheffing over een bedrag van (€ 13.571 -/- € 11.975 =) € 1.596, terwijl Portugal daar meer dan waarschijnlijk geen sociale zekerheidspremies over zal heffen. Het Hof wijst er op dat dit zich ook voordoet bij een ingezetene, met overigens dezelfde arbeidssituatie als belanghebbende, zodat die grond niet als rechtvaardiging voor het maken van het onderscheid kan worden aanvaard.

4.5. Voorts stelt de Inspecteur in hoger beroep dat het onderscheid ingegeven is door overwegingen van administratieve aard (eenvoud) en dat er mogelijk een compenserend voordeel optreedt van de volledige jaaraftrek van het premiedeel van de heffingskortingen.

In dit verband wijst het Hof op de overwegingen van het HvJ EG in het arrest Terhoeve:

"

  • 43. (...) dat de verwijzende rechter met de vierde vraag wenst te vernemen, of de heffing van hogere premie van een werknemer die zijn woonplaats naar een andere lidstaat verlegt om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, die in beginsel in strijd is met artikel 48 van het Verdrag, kan worden gerechtvaardigd, in de eerste plaats doordat zij berust op een wettelijke regeling die de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen beoogt te vereenvoudigen en te coördineren, in de tweede plaats doordat aan andere heffingsmethoden uitvoeringstechnische bezwaren verbonden zijn, en, in de derde plaats, doordat in bepaalde situaties andere voordelen verband houdend met de inkomstenbelasting tot compensatie of zelfs overcompensatie van het nadeel betreffende de premieheffing kunnen leiden.
44. Wat de eerste rechtvaardigingsgrond betreft, moet worden opgemerkt dat de lidstaten in beginsel vrij blijven de wijze van heffing van belastingen en socialezekerheidspremies te regelen en dat zij stellig mogen streven naar vereenvoudiging en coördinatie van die regels. Hoe wenselijk dit laatste echter ook moge zijn, het kan niet rechtvaardigen dat de rechten die particulieren ontlenen aan de bepalingen van het Verdrag waarin hun fundamentele vrijheden zijn verankerd, worden aangetast.
45. Hetzelfde geldt voor de tweede rechtvaardigingsgrond waarop de verwijzende rechter doelt. Overwegingen van administratieve aard kunnen immers een afwijking door een lidstaat van de regels van gemeenschapsrecht niet rechtvaardigen. Dit beginsel geldt temeer, wanneer de betrokken afwijking erop neerkomt, dat de uitoefening van een der fundamentele vrijheden van het gemeenschapsrecht wordt verhinderd (arrest van 4 december 1986, Commissie/Duitsland, 205/84, Jurispr. blz. 3755, punt 54).
46. Wat de derde door de nationale rechter genoemde rechtvaardigingsgrond betreft, behoeft, gelet op de stukken, slechts te worden vastgesteld dat iemand in de situatie van Terhoeve geen enkel voordeel geniet ter zake van de berekening van de inkomstenbelasting. De omstandigheid dat andere werknemers die hun woonplaats in de loop van het jaar hebben verlegd en die in andere situaties verkeren, bevoordeeld kunnen zijn wat de berekening van de inkomstenbelasting betreft, kan deze inbreuk op het vrije verkeer niet opheffen of compenseren (zie in deze zin arrest van 7 juni 1988, Roviello, 20/85, Jurispr. blz. 2805).
47. Derhalve moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat de heffing van hogere premies van een werknemer die zijn woonplaats naar een andere lidstaat verlegt om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, die in beginsel in strijd is met artikel 48 van het Verdrag, niet kan worden gerechtvaardigd doordat zij berust op een wettelijke regeling die de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen beoogt te vereenvoudigen en te coördineren, noch doordat aan andere heffingsmethoden uitvoeringstechnische bezwaren verbonden zijn, noch doordat in bepaalde situaties andere voordelen verband houdend met de inkomstenbelasting tot compensatie of zelfs overcompensatie van het nadeel betreffende de premieheffing kunnen leiden."

4.6. De door de Inspecteur aangedragen rechtvaardiging wordt door het HvJ EG derhalve niet gehonoreerd. Ook een mogelijk compenserend voordeel van de volledige jaaraftrek van het premiedeel van de heffingskortingen, door de Inspecteur gememoreerd in zijn pleitnota in hoger beroep, rechtvaardigt niet het onderscheid.

4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 448.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak), is € 966. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Inspecteur ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 448.

Aldus gedaan op 4 juni 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en W.F.G. Wijnen, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Aantekeningen

Regelgeving gewijzigd, maar fout is gebleven

De socialezekerheidwetgeving zoals die luidde in de procedure is naderhand gewijzigd (ondertussen staat de bepaling in artikel 2.4 Regeling Wfsv). De weeffout zit er echter nog steeds. De nieuwe regeling bevat een identieke bepaling aan de bepaling die gerechtshof 's-Hertogenbosch in strijd acht met het EU-verdrag.

Jurisprudentie

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4-6-2010, nr. 09/00524[2]
Vergelijkbare zaak in combinatie met Duitsland-Nederland.


Voetnoten

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
NeBelEx
Wiki
Hulpmiddelen